donderdag 25 mei 2017

Dag 8/45 Tsetserleg

Er is veel gebeurd ondertussen. Een paar dagen met heel veel pijn vastgezeten in het onooglijk dorp Ich-Uul, en dan op mijn tanden gebeten en met een taxi naar het ziekenhuis in provinciehoofdstad Tsetserleg, 300 km oostwaarts richting Ulaanbaatar. In het ziekenhuis de raad gekregen zo snel mogelijk naar België terug te keren. De laatste 800 comfortabele km over een mooie asfaltweg naar Ulaanbaatar moet ik noodgedwongen overslaan. De machinerie voor de repatriëring is nu volop aan de gang.

Dit is dus het onverwachte voortijdige einde van deze schitterende lente-etappe Kazachstan-Rusland-Mongolië. Kazakhstan was in zijn eentonigheid toch heel majestueus, de Russische Altai was een ontdekking om naar terug te komen. Het Mongoolse ​traject was het zwaarste dat ik al ooit meemaakte, door de onmetelijke afstanden tussen bewoning en bevoorradingsplaatsen van eten en water, door de slechte sporen waar je moet over rijden (rotsig maar vooral zanderig), door het labiele weer en de niet-aflatende wind. Mongolië is prachtig maar heeft geen medelijden, en je bent volledig op jezelf aangewezen in de meest letterlijke zin.

Als ik dit vergelijk met de reis door het Pamir gebergte vorige herfst zou ik zeggen dat de Pamir naast de uitgestrektheid vooral een prachtige spectaculaire verticaliteit heeft die duizelingwekkend is, daar waar Mongolië (en dan vooral het ruwe westen) ook wel heel bergachtig is maar toch een vooral horizontale eindeloosheid heeft die je soms naar adem doet happen. In de Pamir kom je ook regelmatig andere fietsers tegen, hier heb ik er één ontmoet in het guesthouse in Olgii, maar dan onderweg op twee weken geen enkele. De eenzaamheid is hier met andere woorden veel groter. In beide gebieden ben je maar een klein mensje, maar het gevoel verschilt.

Hopelijk ben ik tegen begin augustus voldoende hersteld om terug te keren en vanuit Ulaanbaatar verder te fietsen. Het plan is om dan eerst 350 km noordwaarts te rijden richting Rusland, en dan 4000 km door Siberië naar Vladivostok, min of meer parallel met de Chinese grens. Dat wordt weer iets heel anders. Uitsluitend asfalt, licht heuvelachtig en veel bos. En niet onbelangrijk: gemakkelijke bevoorrading, en de mogelijkheid te communiceren met mijn koeter-Russisch.

maandag 22 mei 2017

Dag 8/39-40 Ich-Uul

Pech: net nu de dirt roads definitief achter de rug zijn en de weg naar Ulaanbaatar verder op asfalt verloopt heb ik een heel vervelend en pijnlijk medisch probleem dat me dwingt een pauze in te lassen. Hopelijk niet te lang, maar de medicijnen die ik bijheb moeten de tijd krijgen om hun werk te doen. Gelukkig ben ik net in een hotelletje geraakt, want kamperend in de tent zou het pas supervervelend zijn.

De laatste twee dagen waren de wegen heel zanderig, en met mijn smalle voorband was het vaak afstappen geblazen. Ik ben heel blij dat ik daar nu vanaf ben. Tenzij ik mij vergis heb ik nu asfalt tot in einddoel Ulaanbaatar.
Ik heb de optelsom gemaakt: van de ongeveer 1700 km in Mongolië heb ik er nu 902 km gefietst. Daarvan 564 op dirt road, en een honderdtal op niet veel beter.

vrijdag 19 mei 2017

Dag 8/38 bis

Een paar foto's van het dorp Songino:
- de hoofdstraat met een paar winkels, die allemaal hetzelfde verkopen, en een paar eethuisjes, die allemaal hetzelfde serveren
- een parallelstraat, met ommuurde percelen waarop telkens zowel een huis als een yurt (ger) staat. Op het zadelpunt boven de heuvel is een ovoo te zien
- de twee kokkinnen in het eethuisje waar ik zit te eten

Dag 8/38 Songino

Met ook vandaag weer fameuze tegenwind, en ook een veel lagere temperatuur, hield ik er na amper 46 km wijselijk mee op in Songino, mede omdat hier een eenvoudig hotel is. Iets verder oostwaarts is het aan het sneeuwen.

Nu komen 216 km dirt road, en daarna zou het tot Ulaanbaatar asfalt moeten zijn.

Ook in dit hotel is geen leidingwater en dus geen modern toilet, wel elektriciteit.
Onderweg zag ik het eerste bouddhistische tempeltje. MongoliĆ« is grotendeels bouddhistisch. Het westen waar ik MongoliĆ« binnenkwam (waar veel Kazakken wonen) is overwegend islamitisch, en daarnaast zijn overal sjamanistische kenmerken terug te vinden, zoals de gewoonte ovoos te bouwen. Dat zijn hopen stenen en hout, vaak op een hoogte zoals een heuveltop, versierd met blauwe doeken (de kleur van de lucht) en bedoeld als offer. Op de foto een op deze manier versierde waterbron, niet zoals je zou verwachten onderaan een heuvel, maar een heel eind in de hoogte tegen de flank van de heuvel.
Nadat deze ochtend dezelfde buitenband nog maar eens (dwz voor de zesde keer) plat stond heb ik toch maar de gekregen Chinese buitenband in gebruik genomen. Afwachten hoe het daarmee gaat op de dirt road die nu komt. Desnoods moet ik vervoer zoeken tot waar het asfalt weer begint.

Dag 8/37 onderweg

Ik dank op mijn knieën de fabrikant van mijn tent (Vaude) voor de kwaliteit van zijn spullen. Wat een nacht, nooit meegemaakt en om nooit te vergeten. Nu begrijp ik de fietsster, op wiens blog ik las dat hier in een nachtelijke storm haar tent stuk ging en zij de rest van de nacht boven op haar spullen moest gaan liggen om te vermijden dat ze wegvlogen. Haar reis was daarbij ineens ten einde.
Ik had de tent met zware stenen goed verankerd, maar toen ik goed en wel ging slapen stak een wind op die ik nog nooit meemaakte. De tent schudde in zijn geheel van links naar rechts en van voor naar achter. Na een half uurtje ongerust afwachten kwam ineens aan een kant alles naar beneden: een van de zijstokjes was losgekomen, en er zat niets anders op dan die van binnen uit met mijn arm op zijn plaats te houden. Als mijn arm te moe werd wisselde ik van arm.
Het duurde een uur voor de wind heel even verzwakte. Dan kon ik vlug naar buiten om die zijstok terug recht te zetten en om zijn verankering nog te verzwaren met een extra steen van zeker 20 kg.
De volgende uren lag ik in de naar alle kanten schokkende tent in een oorverdovend kabaal bang af te wachten. Pas toen de wind een beetje ging liggen viel ik in slaap.
Bij het opstaan stelde ik tot mijn opluchting vast dat mijn tent compleet intact is. In de loop van de nacht had ik al allerlei scenario's bedacht voor hoe het verder moest met een kapotte tent.
Achteraf gezien had ik de tent verkeerd georiënteerd: de windrichting was 180° gedraaid tegen toen ik de tent opzette.

Spijtig genoeg bleef die windrichting onveranderd bij het fietsen, zodat ik tegen 13 u nog maar 50 km had gedaan. Toen zag ik bij een groepje van drie yurts waar ik voorbij kwam op een plakkaat 'guanz' staan, dat is een simpele ​eetgelegenheid. En daar zit ik nu te wachten tot het eten klaar is.
Ik heb gevraagd of ik hier kan overnachten, en als we elkaar goed verstaan hebben is het OK. Dat zou een flinke opluchting zijn, want door de geaccidenteerde nacht ben ik nu niet toerekeningsvatbaar vrees ik.

Op de foto de tent zoals ik die 's morgens aantrof, met links het verticale stokje dat was losgekomen.

Dag 8/36 onderweg

Ik was van plan de grotendeels goede weg tot Songino, 216 km, over drie dagen te spreiden en begon met een luie ochtend: watervoorraad aanvullen aan een bronnetje, de lekke binnenband herstellen, wat lezen. Omdat er héél veel wind staat ging ik ervan uit dat ik mijn benzinevuurtje niet zou kunnen gebruiken 's avonds, dus ik wilde in het hotel nog middageten. Vis uit het meer, lekker maar te droog gebakken met alleen wat witte rijst erbij.
Op de foto mijn fiets in oorlogsuitrusting: vooraan 2 anderhalve liter flessen water boven op de fietszakken, in elke achterfietszak nog zo een fles, in de fietskader zo een vijfde fles plus mijn drinkbus van 1 liter. In totaal heb ik zo 8,5 liter water bij. Het kleine busje onder de horizontale buis bevat benzine voor mijn kookvuurtje. Met al het eten en mijn gewone bagage durf ik niet te schatten hoeveel gewicht ik meesleur.
Toen ik aan het einde van het meer kwam draaide de felle zijwind in de voor mij goede richting, zodat ik zonder inspanning vooruitgeraakte en voor ik het wist 128 km had gefietst, puur uit plezier weer op prima asfalt te rijden.
Het opzetten van mijn tent was niet evident. Ondanks dat ik beschutting heb gezocht achter een verhoging in het terrein waait de wind in vlagen furieus. Ik heb alle piketten helemaal de zachte grond in geduwd en er dan telkens een loodzware steen bovenop gelegd. Ik ben benieuwd hoe het slapen zal gaan. Gelukkig kan de wind in Mongolië ook plots helemaal ophouden. De instabiliteit van het weer is blijkbaar typisch voor hier. Het gezegde is dat je hier op één dag de vier seizoenen kan hebben. In de namiddag werd ik langs achter overvallen door een regenbui, nu is er amper bewolking.

Dag 8/35 Khyargas Nuur meer

Ik ben goed in vorm: op 2 dagen heb ik 193 km gedaan, waarvan de laatste 21 eindelijk op asfalt. Ik reed vandaag bijna de hele dag op een zandweg door een kiezelwoestijn zonder iets van beschutting, en ik zag het niet zitten daarin te kamperen omdat er nog maar eens veel wind was.
De wind is echt een hoofdrolspeler in Mongolië. Eerst stond hij gunstig, maar hij draaide en stond dan pal in mijn gezicht.
Midden in die woestenij kreeg ik nog maar eens een lekke band. Vooraan deze keer, maar ik heb bij de laatste herstelling de 2 banden verwisseld omdat de achterste meer sleet vertoonde. Het moet dus echt iets zijn met die band, maar ik vind niet wat. Van Nikita, mijn Russische fietskameraad in Olgii, kreeg ik een Chinese reserve buitenband mee, maar die is heel smal en ik denk onbruikbaar op oneffen terrein. Ik aarzel dus die te gebruiken.
Kevin had via Whatsapp laten weten dat er aan het Khyargas Nuur meer een hotel was, en het idee daar te kunnen slapen dreef mij verder. In het hotel is wel elektriciteit maar geen waterleiding, dus mijn hoop na 4 dagen nog eens een hygiënische opknapbeurt te krijgen was ijdel. Ik zal het moeten doen met een zwembeurt in het meer, en mijn kleren wassen is voor later.
In het hotel is ook geen toilet. Zoals overal hier is het toilet een houten kotje met een gat in de grond, dat een eind van het gebouw af staat. Voor WC-papier moet je zelf zorgen.
Nu ga ik 216 km asfalt hebben, deels nog in aanleg, bijna tot aan het eerste dorpje, Songino. Onderweg wel geen bewoning, en op één plek kan ik water vinden. Ik moet dus een grote voorraad water meenemen.